Maria, moeder van de evangelisatie


Ter inleiding


In een interview spreekt paus Franciscus met volgende woorden over de missionerende Kerk: “Laat ons, in plaats van enkel een Kerk te zijn die verwelkomt en ontvangt met open deuren, veeleer een Kerk proberen te zijn die nieuwe wegen bewandelt, die in staat is zichzelf te overstijgen en de hand uit te steken naar degenen die haar niet kennen, of die weggegaan zijn of onverschillig geworden zijn.

… We moeten overal het Evangelie verkondigen, de Blijde Boodschap van het Rijk Gods prediken en daarbij met onze verkondiging elke ziekte en wonde helen.” “Streven”, cultureel maatschappelijk maandblad, november 2013).

Later, in zijn apostolische exhortatie “Evangelii Gaudium”, “De vreugde van het Evangelie”, bouwt de Paus verder op deze gedachte. Hij spreekt er over Maria als moeder van de evangelisatie: Samen met de heilige Geest staat Maria altijd te midden van het volk. Zij verzamelde de leerlingen om Hem aan te roepen (Hand. 1, 14) en heeft zo de missionaire explosie mogelijk gemaakt die met Pinksteren plaatsvond. Zij is de moeder van de evangeliserende Kerk en zonder haar kunnen wij de geest van de nieuwe evangelisatie niet ten volle begrijpen”. (Nr. 284).

In het vooruitzicht van de Verkondiging van de Blijde Boodschap, de Verkondiging van Jezus Christus, bekijken we naderbij de diepe band tussen “de heilige Geest – Maria – de Kerk”.

De Geest, Maria en de Kerk: dat is het gesternte waaronder geëvangeliseerd kan worden, en op een diepgaande manier. Want de evangelisering is geen publicitaire campagne, geen zaak van management of uitgekiende strategie. Het gaat eerder om een langdurig proces van geboren worden, waarbij de hele wereld God krijgt tot Vader en de Kerk tot moeder. Zoals de Geest en de Maagd Maria onmisbaar waren om God mens te laten worden, zo zijn ze ook onmisbaar om in en door Christus alle mensen tot Gods kinderen geboren te laten worden.

Is er dan tot nog toe niets gebeurd?


De oproep tot “nieuwe” evangelisatie roep heel dikwijls de vraag op: “Is er dan tot nog toe niets gebeurde? Is het dan zo dat al ons werken in de Kerk nauwelijks evangelisatie genoemd kan worden? Werkten we dan al die eeuwen voor niets?

Natuurlijk niet! Maar toch is er, in vergelijking met vroeger vraag naar een “nieuwsoortige” evangelisering. Het veld waar wij mogen zaaien is zo radicaal veranderd. Geloof en geloofsbeleving worden dikwijls naar de “privé sfeer” verdrongen. Het lijkt wel of heel veel tijdsgenoten het leven aankunnen zonder god; ze hebben hem niet nodig.

De situatie vandaag is anders en de geloofsverkondiging moet nieuwe wegen gaan. Maar al is de akker waarop Gods woord wordt gestrooid anders, het zaad zelf en zijn kiemkracht zijn niet verminderd. Het is nu nog Pinksteren zoals toen.

Evangeliseren: 'een werk van omhoog'


Er werd al heel gesproken, geschreven en uitgetest op stuk van evangelisering! De zaaier heeft daarbij echter vooral geleerd zijn akker te bekijken en de problemen en de kansen af te wegen. Het valt echt niet te ontkennen dat dit alles aan de evangelisering veel hand- en spandiensten heeft bewezen en nog bewijst.

Opdat het zaad zou kiemen is het echter niet voldoende dat de boer de grond kent en voldoende stielkennis bezit. Het weer moet ook meezitten: zon en regen zijn van het grootste belang. Zo gaat het ook bij het zaaien van het Koninkrijk der hemelen. De echte vruchtbaarheid komt van boven: God maakt de akker vruchtbaar en geeft kiemkracht aan het zaad. Evangeliseren geschied vanuit “een kracht van boven”, is het werk van de Geest. En die Geest komt slechts over hen die zoals Petrus op de Pinksterdag vanuit het Cenakel naar buiten treden om het woord van God te verkondigen. Wie niet vruchteloos wil verkondigen, moet eerst met Maria in het Cenakel samen zijn en er het vuur van de Geest ontvangen.

"Met Maria, de moeder van Jezus"


Als de Kerk samenkomt in het Cenakel vindt ze er ook Maria. Vroeger zowel als vandaag. De Handelingen vermelden het met nadruk. Overal waar iets tot leven komt hoort ook een moeder. Hoe zou Christus in zijn Kerk opnieuw kunnen “geboren” worden zonder Maria? Zo was Maria er bij te Kana toen de leerlingen voor het eerst begonnen te geloven; en onder het Kruis waar de Kerk in stilte uit Jezus’ zijde werd geboren, werd Maria moeder van alle mensen: “Vrouw, zie daar uw Zoon”. Maria mocht dus ook niet ontbreken op de Pinksterdag: daar werden Petrus en de andere apostelen uit de beklemming van de angst geboren tot predikers-in kracht, getuigen van het verrijzenisgeloof.

Geen evangelisering buiten Maria om


In het Rijk der hemelen en in de Kerk ontstaat nieuw leven nooit zonder dat een ja-woord uit gehoorzaamheid aan God weerklinkt. En alleen Maria bezit het éne, volle ja-woord en de totale geloofsgehoorzaamheid waaruit alle mensen tot de gemeenschap van de Kerk geboren worden. In haar zijn we geboren, een voor een. Het is in haar “ja-woord” dat wij openstaan voor het evangelie; vanuit haar “ja-woord” kan onze getuigenis vrucht dragen.

Het geloof toont inderdaad aan dat evangelisatie niet kan worden teruggebracht tot menselijke prestatie en gedurfd initiatief, ook niet tot een publicitaire wervingsactie. Evangeliseren groeit uit ons Ja-woord aan God; een laten geboren worden. Het is intreden in Maria’s moederschap, de nieuwe Eva, die werkelijk “moeder van alle levenden” wordt, het Lichaam van Christus. Elke vorm van evangelisatie neemt op haar eigen manier deel aan het geheim dat Maria is.

Maria’s ja-woord is niet voorbij, maar duurt voort tot het Lichaam van Christus de volle groei heeft bereikt, tot “God alles is in allen”. Daarom is er geen evangelisering buiten Maria om. Maar er zijn ook nog andere redenen.

Een 'menselijke' evangelisering


Soms duikt de verleiding op om evangelisering te zien als een publicitaire kruistocht voor de Kerk. Dat gevaar is er altijd. Maria verbiedt ons zulke pretenties te koesteren. Zij staat er borg voor dat we de ware, de levende Jezus verkondigen. : Maria zorgt er voor dat we een Christus brengen die helemaal mens is: Emmanuel, God met de mensen, een menselijke God, die ook Gods Zoon is.

“Maria waarborgt de menselijkheid in de Kerk en in de wereld. Zij is vrouw en moeder, en zoals alle moeders heeft ze een gevoel voor mensen en hun diversiteit. Wat concreet is, praktisch, voor het leven zelf, dat voelt zij zuiver en scherp aan. Maria gaat persoonlijk om met allen: één na één. Ze humaniseert.” (Kardinaal L.-J. Suenens, Een nieuw Pinksteren ? 1974, p. 243).

Evangeliseren in deemoed, met wijsheid en evenwicht


Als we Maria haar juiste plaats geven in de verkondiging, dan zullen we leren met deemoed te evangeliseren. Ze evangeliseert meestal zonder woorden, gewoon door er te zijn, en veel meer door wat ze is, dan door wat ze zegt. Een evangelisering naar het voorbeeld van Maria kan ons behoeden voor de valstrik van de hoogmoed en de arrogantie, en voor de verleiding onszelf te prediken en niet de Christus. Elke evangelisering bestaat uit een nederige beschikbarheid aan het woord van God en aan de kracht van de heilige Geest. Zo kunnen wij evangeliseren door vreugde die van ons afstraalt.

De kerkvaders stellen dat de Kerk door Maria met wijsheid en evenwicht evangeliseert. Zij overwint alle heresie. We aanroepen haar terecht als de “zetel der Wijsheid””, want zij draagt ertoe bij om, binnen een authentiek doorleefd christendom, terughoudendheid en discretie te bewaren ten opzichte van bovennatuurlijke interventies van de Heer.

Bij het bezoek van de engel – midden van die grote genade, God zo dicht nabij te mogen zijn – bewaart Maria haar evenwicht. Zij vergeet haar armoede niet; ze is de nederige dienares van de Heer. Ze gaat op weg en spoedt zich door het gebergte, om Elisabeth hulp te verlenen.

Maria is onmisbaar bij het werk van de evangelisering: zij geeft menselijkheid, deemoed, wijsheid en evenwicht. Hoe koortsiger de tijden worden, hoe meer de wereld zucht en kreunt van de barensweeën omwille van het Rijk, hebben we de moeder van Jezus nodig die de Kerk draagt als haar kind.

"Iets wat op vuur geleek"


Waar Maria is, daar is de Geest. Over de gemeenschap die verenigd is in het Cenakel, komt de heilige Geest. Wie wil evangeliseren heeft de heilige Geest van Jezus nodig. Maar hoe weet ik dat hij over mij gekomen is? Dat ik de Geest bezit, is voor alles en boven alles voorwerp van geloof. Al wie gedoopt is en gevormd mag en moet geloven dat de Geest hem inderdaad geschonken is. Op die levende herinnering aan ons doopsel en op ons geloof berust de zekerheid dat wij de Geest bezitten en dat wij spreken onder zijn stuwende bezieling.

Wie bekeerd wordt, krijgt plots een diep besef van zijn eigen kleinheid. Zonder enige wrange bijsmaak van ontgoocheling en zelfbeklag, mondt dit besef uit in grenzeloze dankbaarheid omdat men zich bemind weet door Gods oneindige vergeving en barmhartigheid.

Begrijpen wat de Heer gezegd heeft


Dat we de Schrift plots dieper gaan begrijpen, dat is een tweede vrucht die de heilige Geest laat rijpen in ons hart. Inderdaad, de werking van Gods Geest gaat meestal gepaard met een opvallend en verkwikkend nieuw begrijpen van het evangelie. Woorden en daden van Jezus, die tot dan toe nauwelijks opvielen en vaak niet begrepen werden, gaan plots oplichten.

In “Evangelii Gaudium”, “De vreugde van het Evangeliezegt paus Franciscus ons dat” Het Woord van God nodigt ons ook uit te erkennen dat wij een volk zijn: “Vroeger waart gij geen volk, nu Gods volk” (1 P. 2, 10). Om authentieke verkondigers van het evangelie te zijn is het ook noodzakelijk het geestelijk genoegen te ontwikkelen om het leven van de mensen nabij te blijven, en wel zozeer dat men ontdekt dat dat de bron wordt van een hogere vreugde. De zending is een hartstocht voor Jezus, maar tegelijkertijd ook een hartstocht voor zijn volk. Wanneer wij voor de gekruisigde Jezus stilstaan, herkennen wij heel zijn liefde die ons waardigheid geeft en ons ondersteunt, maar op datzelfde moment beginnen wij, als wij niet blind zijn, gewaar te worden dat die blik van Jezus zich verbreedt en zich vol genegenheid en vuur richt op heel zijn volk. Zo ontdekken wij opnieuw dat Hij zich van ons wil bedienen om zijn geliefde volk steeds meer nabij te komen. Hij neemt ons uit het midden van het volk en zendt ons naar het volk, zodat onze identiteit niet wordt begrepen zonder deze verbondenheid” (Nr. 268).

Staan vóór de levende Heer


Als de Heer in ons vaardig wordt en “wat dood is levend maakt” en “wat kil is, warm”, van dan af spreken we niet langer over Christus als over een derde persoon maar gaan we over Iemand spreken, of korter nog: we gaan tot Hem spreken. Meteen ontstaat ook ruimte voor het gebed: frequent, langdurig en met vreugde. Niemand kan het evangelie uitdragen tenzij de Heer voor hem een levende persoon is, tot wie hij bidden kan, lovend en dankend. Alleen wie Christus zo gezien en gehoord heeft, kan over hem getuigen. Zo verging het Petrus en Johannes voor de Hoge Raad. “Het is voor ons onmogelijk niet te spreken over wat wij gezien en gehoord hebben”. (Hand 4,20). En ons hart zal overvloeien van vreugde.

Evangeliseren om "vrij te maken"


Echte evangelisering maakt vrij. “Waar de Geest van de Heer is, daar is vrijheid” (2 Kor 3,17b) zegt Paulus en ook: “Broeders, gij werd geroepen tot vrijheid” (Ga 5,13).

Die dynamiek maakt ons juist vrij. Zij zet ons van binnenuit aan om het goed te doen. Onze vrijheid is dus gewaarborgd omdat we handelen uit liefde: zo werkt de heilige Geest.

De evangelisering is geen poging om alle mensen te knechten onder de scepter van een wet die van buiten af wordt opgelegd. Wie naar de verkondiging luistert, wordt niet de slaaf van een vreemd gebod, dat hem met kille vingers vastzet. Evangeliseren is integendeel de heilige Geest geven aan de mens en hem aldus vrijmaken van elke schijnvrijheid. Het christendom is geen wet, ook al bevat het er een; het is geen moraal, ook al behelst het er een. Het christendom is – door de gave van de Geest van Christus – een zijnsrijkdom van genade, die ertoe leidt dat we vrij handelen zoals hij het ons heeft voorgedaan.

Een vrijmoedige Geest


De meest spectaculaire vrucht van de heilige Geest is al te merken in het hart zelf van Jezus’ eerste leerlingen. Dan komt de Pinksterdag. En meteen is alles anders. De apostelen breken uit naar buiten en spreken onbevangen tot al wie het horen wil. Petrus en de elf hebben geen schrik om te getuigen. Ze spreken vrijuit, overmoedig zelfs. Diezelfde vrijmoedigheid moet de Geest aan de Kerk schenken bij het werk van de nieuwe evangelisering: de moed die vrij maakt om de wereld toe te treden. Vaak is onze alleen naar binnen gericht. De echte vrijmoedigheid richt zich integendeel naar buiten, tot de “tegenvoeters” die niets van het geloof willen wet of het zelfs bestrijden.

Niet op eigen houtje


Ongetwijfeld is evangelisering werk van afzonderlijke mensen, maar deze taak geschiedt nooit buiten de gemeenschap, buiten de Kerk. Wie zich als prediker uit die gemeenschap losmaakt, knipt in eigen levenslijn door: hij krijgt voortaan noch zuurstof, noch voedsel. Opdat een gemeenschap zich terecht christelijk mag noemen, moet zijn aan een aantal criteria beantwoorden. In de Handelingen (2,42-47) worden deze opgesomd. De christelijke gemeenschap is trouw aan de leer van de apostelen: ze vindt haar eigen ideologie niet uit. Ze is eensgezind, ze bidt en onderhoudt betrekkingen met alle andere christelijke gemeenschap. Ze is solidair en gastvrij. Ze is vooral trouw aan de eucharistie, leeft van de Blijde Boodschap en verkondigt die ook. Ze heeft haar Goede Herder Jezus lief maar ook al de overige herders die Jezus aanstelt.

Elke dag maakt de christelijke gemeenschap vooruitgang in de bevrijding, naar binnen en naar buiten; ze laat zich telkens zuiveren door het woord van God en door boete en gebed. Ze bidt dat God in haar midden alle charismen opwekt die nodig zijn om de gemeenschap te doen groeien en om vruchten voor te brengen in de wereld.

Tot slot


Om deze enkele orientaties voor onze zending als gedoopte af te ronden wil ik nog even terug komen op apostolische exhortatie “Evangelii Gaudium”, “De vreugde van het Evangelie”, waar de paus de tederheid van Maria onderlijnt. Zij is onze moeder van de evangelisatie.

Maria is degene die een grot voor dieren weet te veranderen in een huis van Jezus, met enkele arme windsels en een berg aan tederheid. Zij is de kleine dienstmaagd van de Vader die overloopt van vreugde in de lofprijzing. Zij is de vriendin die altijd erop let dat de wijn niet ontbreekt in een ons leven. Zij is het wier hart is doorboord door een zwaard, die alle verdriet begrijpt. Als moeder van allen is zij een teken van hoop voor de volken die barensweeën lijden, totdat de gerechtigheid ontkiemt. Zij is de missionaris die tot ons nadert om ons in het leven te begeleiden door de harten te openen voor het geloof met haar moederlijke genegenheid. Als een ware moeder gaat zij met ons mee, strijdt zij met ons en stort zij onophoudelijk de nabijheid van Gods liefde uit. (Nr. 286).

Bestellen?


maria moeder van de evangelisatie