Het mysterie van het lijden

Het mysterie van het lijden



“Zie, Ik sta voor de deur en klop” (Openbaring 3, 20)

+ L.J. Kardinaal Suenens

Het seizoen van de kiemende bomen

Niemand ontsnapt aan het lijden. Het vergezelt ons bij elke stap, van de wieg tot aan het graf, zoals een schaduw ons volgt op onze weg. Wij hebben het moeilijk om te begrijpen wat wij wel ‘het mysterie van het lijden’ moeten noemen. Wij zouden wel willen leven in een wereld waarin alleen maar de zon schijnt, zonder schaduw. Als het van ons afhing, dan zouden we een jaar hebben met twee seizoenen: de lente en de zomer, zonder de winter. En toch, bevat dit zogenaamde ‘dode seizoen’ niet de kiemen van het leven?

Kijk eens naar de winter in de bossen: de bomen die levenloos lijken, bereiden zich voor op het opstijgen van het sap; de dode takken die men wegsnoeit, gaan de bloei van nieuwe takken mogelijk maken. De winter is niet het seizoen van de dood, maar van het kiemen van het leven; de winter is als een humus waarin het lover dat komen gaat voedsel vindt; de winter is niet desolaat, maar vol verwachting.

Wanneer een zieke lijdt, dan nemen we hem bij de hand, als blijk van sympathie. We willen hem laten voelen dat we hem nabij zijn, dat we zijn lijden begrijpen, dat we mede lijden. Woorden van troost lijken op dat moment erg oppervlakkig. Het lijden is heel persoonlijk, en niet mededeelbaar. (…)

Zendt God mij kwaaltjes?

Zelden heb ik meer indringende bladzijden gelezen over het lijden dan die van koning Boudewijn aan Veronica O’Brien, die zijn geestelijke leidster was.

Zijn brief gaat als volgt:

“Ik moet nog heel veel vooruitgang maken wanneer ik een kruisje vind op mijn weg. Telkens opnieuw laat ik mij om de tuin leiden: ik herken het niet, ik aanvaard het niet, ik omarm het niet als ware het Jezus zelf die mij tegemoet komt.

Hoezeer toch zou ik Hem willen ontvangen met vreugde en tederheid! En niet meer druk doen wanneer ik een ongemak voel. Er bestaat geen twijfel aan: ik ben nog ver verwijderd van de ‘Overgave aan de goddelijke Voorzienigheid’. Maar ik geloof dat mijn Vader me die overgave wil geven; anders zou Hij mij die kwaaltjes niet toezenden, die de beste geneesheren niet kunnen verklaren.

Een ander domein waarop ik nog alles moet leren is me niet gekwetst te voelen wanneer ik geen dankbaarheid ondervind. Gij zijt in dit alles sinds wij elkaar kennen een groot voorbeeld.”
In Ea,”.

Zich verenigen met de liefde van God

En Veronica antwoordt hem:

“Ik wens u een goede, een heel goede Vastentijd, met een steeds fijnere, delicate aandacht voor wat de heilige Geest u vraagt.
Wat een zuiverend ‘sacrament’ moet het lijden wel zijn, dat de Heer het voorbehoudt, als een ongehoorde gave, aan zijn Moeder en aan hen die Hij met voorliefde bemint.
Het moet iets te maken hebben met de liefde van God; iets als ‘ecce sto ad ostium et pulso’ – ‘Zie Ik sta voor de deur en klop’. Wij moeten Hem er voor bedanken, indien mogelijk de eeuwigheid lang, met tranen van vreugde.

De Heer heeft u al jaren lang op die wijze behandeld, en wat nu nog een nachtmerrie lijkt, heet eigenlijk, met zijn ware naam, ‘tedere list en wonderlijke aandacht vanwege God’.
Ik weet dat u het ook op die wijze ziet; maar ik weet ook dat die waarheid, wanneer ik ze u namens Hem en in zijn naam zeg, voor u andermaal levenschenkende genade is. Het gaat over zo’n erg mooie dingen, dat ze niet uitgeput geraken, ook niet wanneer men ze herhaalt.

Wat mij betreft doe ik mijn best om van elke dag een lange acte van gemeenschap met de heilige Geest en met Maria te maken. Zich verenigen met de wil van God is zich verenigen met de liefde van God: dat is dus zich verenigen met de liefde van de Liefde, die de heilige Geest is. Dan wordt alles heel eenvoudig
In Ea,”.

Brontekst:

+L.J. Kardinaal Suenens,
Christenen voor morgen,
pp. 164-168.

Christen voor morgen

€ 10,00 + verzendingskosten

FIAT- Vereniging
F. de Merodestraat, 18
2800 MECHELEN
België